maandag 23 maart 2015

MÁRQUEZ TRIOMFEERT IN COBRA'S BOEKENTOP 50


vr 12/12/2014 - 06:00 Audio update: zo 14/12/2014 - 10:27Alea iacta est. 'Honderd jaar eenzaamheid' van Gabriel García Márquez is de meest geliefde klassieke roman van Cobra's Boekentop 50. Ook 'De Kapellekensbaan' van Boon doet het goed.
Eén ding is duidelijk na zes weken stemmen: lezers houden van Gabriel García Márquez, de reus van de Latijns-Amerikaanse literatuur die dit voorjaar overleed. Van start tot finish stond ‘Honderd jaar eenzaamheid’ op één. Ook ‘Liefde in tijden van cholera’ staat in de top tien. De eerste Nederlandstalige auteur is Harry Mulisch op de derde plaats, met ‘De ontdekking van de hemel’Louis Paul Boons ‘De Kapellekensbaan’ staat op vier en ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus op zeven in Cobra’s Boekentop 50.

De top tien

1 ‘Honderd jaar eenzaamheid’ van Gabriel García Márquez
2 ‘De naam van de roos’ van Umberto Eco
3 ‘De ontdekking van de hemel’ van Harry Mulisch
4 ‘De Kapellekensbaan’ van Louis Paul Boon 
5 ‘Het parfum’ van Patrick Süskind
6  ‘In de ban van de Ring’ van J. R. R. Tolkien
7 ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus
8 ‘Liefde in tijden van cholera’ van Gabriel García Márquez 
9  ‘De vliegeraar’ van Khaled Hosseini
10 ‘Stoner’ van John Williams

Nooit fout - Charles Ducal

Dichter des Vaderlands Charles Ducal heeft zopas zijn negende gedicht de wereld ingestuurd. Aan de vooravond van World Poetry Day brengt hij een ode aan de jeugd. Want zonder jeugd geen nieuwe lente en geen nieuw geluid. Meteen werd ook bekend gemaakt dat vanaf Gedichtendag 2016 Laurence Vielle de titel van Dichter des Vaderlands zal overnemen.
In ‘Nooit fout’, het nieuwste gedicht van Charles Ducal als Dichter des Vaderlands, verwelkomt hij de jeugd van harte. ‘Nooit fout’ of ‘Lof van het avontuur’ wordt vanavond voor het eerst door Ducal zelf voorgedragen tijdens ‘Rotspaleis’, het poëziefestival in het Sportpaleis in Antwerpen.
Nooit fout
of Lof van het avontuur
Zij lopen op jonge vingers
te fluiten als veroveraars
op een vreemde kust,
waar andere vingers nooit eerder.
Zij hoeven niets te betekenen,
lopen toevallig, zich niet bewust
van de lucht die al is ingekleurd
en de richtlijnen onder het gras.
Hun sporen maken geen wegen,
geen bruggen, zij lopen verloren
in het moeras, waarboven zij
dwaallichtjes plukken, verrukking
die in hun mond openspat.
Daar komen geen padden van
en geen goud, alleen het vrolijk tikken
van druppels op een geduldige steen.
Soms in het rood, dat is even schrikken.
Want het loopt soms verkeerd,
maar nooit fout.

Gedichten als brug

Sinds Gedichtendag 2014 is Charles Ducal de eerste Dichter des Vaderlands. Hij kreeg deze officieuze titel voor de periode 2014-2015. Voor dit literaire initiatief van verschillende organisaties, waaronder het Poëziecentrum in Gent en het Maison de la Poésie in Namen, schrijft de Dichter des Vaderlands minimum zes gedichten per jaar die ons land aanbelangen. Alle gedichten worden in de drie landstalen gepubliceerd. Het project wil zo bruggen slaan tussen de verschillende taalgemeenschappen.

Opvolging vezekerd

De “regeerperiode” van Charles Ducal loopt dus eind dit jaar af. Vanaf eind januari 2016 wordt hij opgevolgd door de Franstalige schrijfster Laurence Vielle. Op ‘Rotspaleis’ zal Ducal zijn opvolger aan het publiek voorstellen. Naar verluidt is Laurence Vielle, die in 1968 in Brussel geboren werd, een dichteres die vooral live tot haar recht komt. “Wat ik schrijf, is spreekmateriaal, klankmateriaal. Ik lees graag hardop wat geschreven is,” zegt ze. Laurence Vielle noemt zichzelf een sprokkelaarster. “Ik sprokkel woorden, de woorden van anderen, van mij en de ritmen van de wereld. Daarna schrijf ik, en ik zeg graag die woorden.
Bij Poëziecentrum verscheen in 2013 haar bundel 'Herschepping van de wereld', vertaald door Jan H. Mysjkin.

dinsdag 3 maart 2015

Biecht - Jacob Winkler Prins

Biecht

Priester der bossen,
Thans wil 'k verklaren
Al u mijn zonden,
De lichte, de zware
Boven de pijnen de zonnegoudpracht,
Oordeel mij zacht.

Wonder verward weer,
Voel 'k mijn geheugen:
„Liefde, gij Godheid —
Liefde, gij leugen,
Tot uwe diensten ben ik altijd
Lachend bereid.—
schrijver

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek

biecht* [belijdenis (van zonden)] {oudnederlands begihte 901-1000, middelnederlands biachte, biecht(e) 1201-1250} we hebben met een tweelettergrepig woord te doen, een samenstelling van bi- [bij] + een simplex dat voorkomt als gicht(e), gechte, gifte [bekentenis, in rechte afgelegde verklaring], vgl. oudhoogduits bigiht, oudfries biiecht, biecht, oudsaksisch bigihto; van middelnederlands gien [een verklaring afleggen, bekennen], vgl. oudnederlands gian [bekennen], oudhoogduits gehan, jehan [idem]; buiten het germ. latijn iocus [scherts], van een i.-e. stam met de betekenis ‘spreken’, vgl. gêne. Het woord biecht is een vertalende ontlening van latijn confessio, van confitēri [bekennen].

Bij de lekebiecht uit Reinaert de Vos

BULB ofte (gloei)lamp


[buhlb]
This funny word comes from the Ancient Greek word for onion, bolbas. In the early 1800s, the word was applied to scientific instruments of a similar shape, including the thermometer bulb and the light bulb. It still hasn't found a word to rhyme with though. What other words do bards among us avoid?

maandag 2 maart 2015

WHAT DO YOU SEE IN MATHEMATICS? - Khaled Hosseini

Julien asked what she saw in mathematics and she said she found it comforting.

“I might have chosen ‘daunting’ as a more fitting adjective,” he said.

“It is that too.”

She said that there was comfort to be found in the permanence of mathematical truths, in the lack of arbitrariness and the absence of ambiguity. In knowing that the answers may be elusive, but they could be found. They were there, waiting, chalk scribbles away.

“Nothing like life, in other words,” he said. “There, it’s questions with either  no answers or messy ones.”


Khaled Hosseini,  And the mountains echoed    p. 204


( daunting: intimidating, exacting, challenging, fearsome...)

donderdag 26 februari 2015

Enkele andere overwegingen - Rutger Kopland



Hoe zal ik dit uitleggen, dit waarom

wat wij zoeken niet is

wat wij zoeken?

 

Laten we de tijd laten gaan

waarheen hij wil,

 

en zien dan hoe weiden hun vee vinden,

wouden hun wild, luchten hun vogels,

uitzichten onze ogen

 

en ach, hoe eenvoud zijn raadsel vindt.

 

Zo andersom is alles, misschien.

Ik zal dit uitleggen.

 

Iemand vond dit een mooie tekst en stuurde hem me toe.
Wat hij wil zeggen lijkt misschien niet zo makkelijk -
dus kunnen we het beter samen proberen.

LOUIS PAUL BOON - Basis


Eig. Lodewijk Paul Albrecht, Vlaams romanschrijver (Aalst 15.3.1912-Erembodegem 10.5.1979). Werd aanvankelijk opgeleid tot autoschilder en bezocht tijdelijk de Academie voor Beeldende Kunst te Aalst, maar in de economisch moeilijke jaren van voor wo ii werkte hij wederom als autoschilder en verrichtte onderhoudswerkzaamheden in een brouwerij.
In 1939 schreef hij zijn eerste roman, Het brood onzer tranen, die echter nooit gepubliceerd zou worden. Is gedurende de oorlog werkloos en tracht wat te verdienen als huisschilder. Voltooide in 1942 zijn tweede roman, 3 Mensen tussen muren, die hij illustreerde met eigen linosneden, maar pas in 1969 werd uitgegeven. In 1942 verscheen echter wel De voorstad groeit, Boons officiële debuut, waarvoor hij op voorspraak van Willem Elsschot de Leo. J. Krynprijs verwierf. In 1944 verschenen de romans Abel Gholaerts, gebaseerd op het leven van Vincent van Gogh, en Vergeten straat, waarin een geïsoleerde gemeenschap met anarchistische trekken wordt beschreven. In Mijn kleine oorlog (1946) stelde hij zijn oorlogsherinneringen te boek, in het bijzonder die over de mobilisatieperiode, waarin hij aan het Albertkanaal gelegerd was. Willem Elsschot voorzag deze hartstochtelijke getuigenis over de waanzin van de oorlog van een inleiding.
Direct na de oorlog werkte Boon als journalist/kunstredacteur bij het communistische dagblad De Roode Vaan, als redactiesecretaris bij Front. Hij evolueerde in deze periode van anarchistisch-communist tot wat men zou kunnen noemen individualistisch-socialist. Deze ontwikkeling is nauwkeurig te volgen in zijn tweedelige roman De Kapellekensbaan (1953) en Zomer te Ter-Muren (1956), waarin hij een sociale roman vermengt met delen van zijn bewerking van de Reinaert-verhalen en met persoonlijke ervaringen uit de periode van ontstaan van deze roman (1942-1953). Deze dubbelroman vond voor de actuele elementen erin een voortzetting in zijn eenmanstijdschrift Boontjes Reservaat, waarvan 5 deeltjes verschenen in de Boekvinkreeks (1954-1957). De complete eigentijdse bewerking van de Reinaert-verhalen verscheen in 1955 als Wapenbroeders. In datzelfde jaar verschijnt Menuet, een verhaal waarin drie personages, elk vanuit hun eigen perspectief, tegen eenzelfde gebeuren aankijken. Boon verwerkte in deze roman de persoonlijke ervaringen die hij opdeed in de tijd dat hij in de vrieskelders werkte en overkoepelde het geheel met een in de roman afgedrukte knipselstrook van gemengde berichten uit de krant, die de particuliere sfeer van het verhaal verheft tot een exemplarische.
In 1957 verscheen De bende van Jan de Lichte, een schelmenroman met een sociale ondertoon over de Vlaamse volksheld Jan de Lichte, die in de 18de eeuw met zijn roversbende in de omgeving van Aalst opereerde. Het boek krijgt in 1961 een vervolg in De zoon van Jan de Lichte. Uit deze romans komt een bijzonder aspect naar voren, namelijk zijn voorliefde om uit te gaan van authentiek feitenmateriaal, in dit geval de processtukken rond Jan de Lichte na diens gevangenneming.
Van geheel andere aard is de roman De paradijsvogel (1958). Hierin beschrijft hij het ontstaan van de godsdienst als verdringing van de seksualiteit in een symbolisch verhaal rond de stad Taboe, waarbij het motief van de vogel zowel het `hogere' als de fallus verbeeldt. Daar doorheen loopt het verhaal over Beauty Kitt (= Marilyn Monroe) en Wadman (= de Engelse lustmoordenaar John Christie), die het resultaat en eindpunt betekenen van de ontwikkeling die in het eerste verhaal is ingezet.
Boons literaire produktie in de periode 1942-1956 is fenomenaal te noemen, zowel wat omvang als wat thematiek en uitwerking betreft. Nog in 1955 voltooit hij zijn enige grote gedicht De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat (1956), dat hij publiceerde in het tijdschrift Tijd en Mens, waarvan hij een der redacteuren was. Het gedicht is gebaseerd op een krantenbericht over een lustmoord op een jong meisje. Boon ontving voor dit gedicht de Henriëtte Roland Holstprijs. Om zijn uitgesproken linkse opvattingen, zijn antikerkelijkheid en de onverbloemde seksualiteit in zijn werk, wordt Boon aanvankelijk in België nauwelijks gewaardeerd. Dat is vooral de reden waarom hij zijn belangrijkste werk in Nederland publiceert, hoewel ook daar de echte erkenning ervan pas na 1956 door-
[p. 90]
breekt. Daartoe droeg zijn zwartgallige roman Niets gaat ten onder (1956) bepaald niet bij.
Intussen was Boon in 1954 medewerker geworden van het Gentse socialistische dagblad Vooruit, waar hij Richard Minne opvolgde als cultureel redacteur. In Vooruit publiceerde hij tot aan zijn vervroegd pensioen in 1972 een dagelijks cursiefje, waarvan er een aantal zijn gebundeld in Dorp in Vlaanderen (1966), Wat een leven! (1967) en 90 Mensen (1970). Voorts verzorgde hij voor deze krant de rubriek `Geestesleven'. Naast romans en poëzie schreef Boon ook proza van kortere adem in Vaarwel krokodil (1959), een groteske, en Grimmige sprookjes (1957), in 1962 gecombineerd uitgegeven met Blauwbaardje in Wonderland.
Vanaf 1971 lag het accent in Boons werk steeds meer op de sociale geschiedschrijving, terwijl hij tevens meer aandacht ging besteden aan de beeldende kunst. Hij maakte schilderijen, plastieken en collages, waarmee hij veelvuldig exposeerde, o.m. te Aalst, Amsterdam, Nijmegen en Rotterdam. In 1971 verscheen zijn grote sociale geschiedenis over Aalst en omgeving, tevens biografische roman over Pieter Daens, de broer van priester Adolf Daens, wiens leven in het teken stond van de ontvoogding van de Vlaamse katholieke arbeiders. In aansluiting op dit portret van Pieter en Adolf Daens schreef Boon twee boeken over het anarchisme rond 1900 in de omgeving van Aalst op basis van materiaal uit de politiearchieven: De zwarte hand (1976) en Het jaar 1901 (1977). In 1979 verscheen opnieuw een historisch gerichte roman, Het geuzenboek, waarin Boon de geschiedenis van de land- en watergeuzen reconstrueerde in hun verzet tegen de Spaanse overheersing van de Nederlanden.
Nadat in 1967 aan Boon de Constantijn Huygensprijs 1966 voor zijn totale oeuvre was uitgereikt, vond zijn werk ook in België steeds meer erkenning. In 1971 werd zijn werk dan ook bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs van België. Zijn romans en verhalen zijn inmiddels in vele talen vertaald. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die Boon tot erelid benoemde, zag daarin aanleiding om hem in samenwerking met de Vlaams-Nederlandse pen-club en de Vereniging voor Vlaamse Letterkundigen voor te dragen voor de Nobelprijs.